kleine collaboratie & repressie

André Moyson was amper 18 toen de oorlog uitbrak en ontsnapte maar nèt aan de dienstplicht in het Belgische leger. Zijn “klasse” (lichting) was de eerstvolgende die zou opgeroepen worden, maar de Duitse inval in mei 1940 en de daaropvolgende snelle ineenstorting van het Belgische leger beslisten daar anders over.

André, toen nog inwoner van Asse, probeerde dan ook net als iedereen om zo snel mogelijk het leven van alle dag weer op te nemen, zo goed en kwaad als dat kon. In zijn geval betekende dat gaan werken. Hij had een job als schrijnwerker in een atelier te Sint Genesius Rode, waar hij rolluiken maakte. Het was daar, op zijn werk, dat de oorlog hem uiteindelijk inhaalde.

Doordat de Duitse economie beroofd was van veel arbeiders en technici die aan het front meevochten, was men in de bezette gebieden begonnen met het ronselen van werkkrachten. Toen dat onvoldoende succes opleverde, besloot de Duitse bezetter over te gaan tot het opeisen van jonge werkkrachten. Aan alle bedrijven werd daarom gevraagd een lijst op te stellen van werknemers die in de leeftijdscategorie vielen van de 3 legerklassen die zouden opgeroepen geweest zijn mocht de oorlog langer hebben geduurd. Ook de werkgever van André kreeg die vraag en kon niet anders dan diens gegevens door te spelen. André mocht zich dus verwachten aan een oproep om zich aan te melden voor werk in Duitsland.

Omdat gaan werken in Duitsland zowat het allerlaatste was wat André wilde doen, besloot hij onder te duiken; hij ruilde Asse voor Hekelgem, waar zijn lief Emmerence woonde. Hij kreeg onderdak in de Veldekenslos (toen nog Bleregem – de straatnaam Veldekenslos kwam er pas rond 1970), bij het gezin van Bert Van de Perre, trambestuurder te Brussel, zijn vrouw Angélique De Nil, hun oudste dochter Emmerence en de jongere Yvonne en Alfons.

Bert Van De Perre

André was dan wel ondergedoken om aan verplichte tewerkstelling te ontsnappen, hij kon gewoon vrij bewegen in de buurt van de Veldekenslos. De buren waren wel op de hoogte van zijn situatie maar waren solidair.

Emmerence, André, Yvonne en Alfons

In 1943 overleed Bert, Emmerences vader, en de rest van het gezin keek nu naar André om voor hen te zorgen. Hun angst dat hij hen in de steek zou laten bleek ongegrond : André was een man die zijn verantwoordelijkheden niet uit de weg ging. Hij trouwde met Emmerence en deed zijn best om te leren werken op de akkers. Hij had als halve stadsjongen geen idee hoe je dat moest doen, maar vond steun bij een buurman : Morrisken. Felix Maurice Pouliart, Morrisken voor de vrienden, was een oudstrijder uit de Groote Oorlog en woonde met zijn vrouw Pelagie De Baerdemaeker op Bleregem. Iedere dag trok hij met André het veld in en bracht hij hem de kneepjes van de boerenstiel bij. Toch bleef het behelpen en wanneer een andere buur, Remi Van Nieuwenborgh, hem voorstelde mee te gaan naar Asse om daar te gaan werken bij een organisatie die instond voor bewaking van gebouwen, trok André met hem mee.

Angelique De Nil, Pélagie De Baerdemaeker en Marie, de zus van Angelique

Aangekomen in Asse, lieten Remi, André én zijn broer Omer Moyson, zich samen inlijven bij de Vlaamse Fabriekswacht. Daarmee waren meteen hun zorgen over een vast inkomen en voldoende voedsel van de baan. Daarnaast kregen ze ook nog eens een uniform en een opleiding. De voornaamste zaak voor André was echter dat hij niet naar Duitsland hoefde en hij na een shift van 24 uur gewoon 24 uur thuis kon zijn bij zijn nieuwe gezin.

Emmerence en André, kort nadat hij toetrad tot de Vlaamse Fabriekswacht

De Vlaamse Fabriekswacht was een commerciële privémilitie, opgericht tijdens de bezetting, door Christiaan Turcksin. In juni 1943, het jaar waarin ook André hun rangen vervoegde, werd de Fabriekswacht hervormd tot Wehrmachtsgefolge van het Luftgaukommando, onder de naam Vlaamse Wachtbrigade.

Omer Moyson, broer van André in zijn uniform van de Vlaamse Fabriekswacht

Midden 1944, na de landing in Normandië, werden de leden van niet-Duitse paramilitaire milities opgenomen als Wehrmachtsangehörige. Met jongeren van de Vlaamse Wachtbrigade, die daarvoor al in opleiding waren, werd een Vlaamse Flakbrigade gevormd – allicht hoorde André daar bij. Op haar hoogtepunt telde de Vlaamse Fabriekswacht zo’n 2500 leden.

André en Omer Moyson met tussen hen in een collega van de Vlaamse Fabriekswacht

Werken als fabriekswachter betekende dus instaan voor beveiliging en bewaking van gebouwen of installaties; André werkte in 1943 bijvoorbeeld meestal als bewaker van een grote garage aan de Bergensesteenweg te Brussel, waar het Duitse leger vrachtwagens en personenwagens stationeerde. Tijdens het werk liep André bewapend met een geweer dat geladen was met scherpe munitie maar toch vond hij de sfeer gemoedelijk. Ook de Duitse militairen waren hem goed gezind. Met één van hen was hij zelfs goeie maatjes geworden. “Hij had een Brussels lief maar geen plaats om met haar alleen te zijn. Ik kneep een oogje toe en liet hen de garage in. Kon het anders dan dat hij me goed gezind was ? Ik verschafte hem een plekje om rustig met zijn lief te vogelen !”

Ondanks de goeie kanten van zijn nieuwe job en de uitstekende contacten met de gewone Duitse soldaten, waren er al snel spanningen met de strenge Duitse officieren. Die waren bijvoorbeeld bijzonder op eer en vertrouwen gesteld. Dat ging zelfs zo ver dat ze hun mannen verboden om de kastjes met persoonlijke goederen vast te doen met een slot. Ze moesten elkaar zodanig vertrouwen dat van diefstal geen sprake kon zijn.

Nu had André de gewoonte om telkens hij van wacht was, zich in een café op de Bergensesteenweg een fles geuze te gaan kopen. Dat was niet alleen lekker, het was ook handig. Eens de geuze uit de fles was, liet André ze vollopen met benzine uit de militaire voertuigen. Die fles benzine bracht hij dan mee naar Hekelgem waar ze via zijn maat Morrisken bij de Hekelgemse dokter Camu terechtkwam, zodat die zijn patiënten kon gaan opzoeken met zijn wagen.

in de garage op de Bergensesteenweg – André staat links tegen een vrachtwagen geleund

Op een dag, toen de geuze al vervangen was door de benzine, viel er in de garage een inspectieploeg binnen. André kon nog nét op tijd de fles laten zakken in de ketel van een veldkeuken die ook geparkeerd stond in de garage. De controleurs lieten iedereen aantreden en begonnen hun inspectieronde. André herinnert zich die controle en zijn zenuwen van toen nog heel levendig : “Letterlijk alles namen die mannen onder de loupe. Iedere wagen werd uitgekamd maar ook de werktuigen die aan de muur hingen werden nagekeken en geteld. Ik hoopte dat ze hier en daar iets zouden overslaan, maar ze bekeken werkelijk alles en zo kwamen ze dichter en dichter bij de veldkeuken waar mijn fles gestolen benzine in zat. Als ze de veldkeuken nog maar half zo grondig zouden bekeken hebben, zouden ze de fles gevonden hebben en dan zou ik zeer zwaar gestraft geweest zijn. Mogelijks zelfs geëxecuteerd als verzetsstrijder of spion. Maar ik had geluk. Nèt voor ze naar de veldkeuken toestapten, ging het luchtalarm. Iedereen moest het gebouw verlaten en de inspecteurs braken de verdere inspectie meteen af en verdwenen. Ik ben daar écht door het oog van de naald gekropen.’”

Kort nadien was André van wacht ergens in de buurt van het Jubelpark. Hij stond er in voor de bewaking van een batterij luchtafweergeschut, of Flak (Flugabwehrkanone), bovenop een hoog gebouw. Een eindje verder kon hij een gelijkaardige installatie zien staan op een ander gebouw.

Beide batterijen waren via de telefoon verwittigd door observatieposten aan de kust, dat er een enorm aantal Britse bommenwerpers in aantocht was. Het bevel werd gegeven om de batterij luchtafweer klaar te maken om te vuren. De observatiepost had niet gelogen: nog nooit had André zoveel vliegtuigen gehoord of gezien. Hij had dan wel het bevel gekregen om de batterij vurensklaar te maken, het bevel om te schieten hadden hij en zijn collega’s niet gekregen en dus deden ze ook niet behalve kijken naar de overvliegende bommenwerpers. Maar toen liep het opnieuw verkeerd. André : “Die idioten op dat andere gebouw lapten de afspraken en bevelen aan hun laars en waren niet van zin om de batterij voor niets klaar te maken om te vuren.”  Zonder dat ze daartoe het bevel hadden gekregen, openden de mannen op het gebouw dat André kon zien, het vuur. Ze beschoten de overvliegende Britse bommenwerpers zonder veel resultaat. Behalve natuurlijk dat de bemanningen van de bommenwerpers terug schoten met hun mitrailleurs. Ze troffen daarbij niet alleen de batterij die vuurde maar ook die waar André op wacht stond. Het moet een angstaanjagende situatie geweest zijn. André : “Ik hoorde de kogels om ons heen inslaan en vervloekte die idioten van verderop terwijl ik onder het zeil kroop dat over het Flakkanon had gezeten. Ik weet het, eigenlijk was dat onnozel. Zo’n zeil houdt niets tegen. Maar op dat moment leek het een heel logische reactie. Het was op dat moment dat ik aan de dood onstnapt ben. Een kogel sloeg in, net naast mijn hoofd, op de voet van het flakkanon. Ik was er zo van onder de indruk dat ik hem heb opgeraapt en heb bijgehouden. Ik heb hem sindsdien nooit meer weggedaan.”

de kogel die André bijna het leven kostte

Alles bij mekaar genomen vond André al na een paar maanden dat het welletjes was geweest en hij wilde weg bij de Fabriekswacht. Vertrekken bij de Fabriekswacht had echter één groot nadeel: als hij geen Fabriekswachter meer was, kwam hij weer op de lijst van beschikbaren voor werk in Duitsland en riskeerde hij weer opgepakt te worden.

Hij trad daarom in dienst van een bedrijfje dat onder de vleugels van collaborerende organisaties als VNV en DeVlag opereerde. Het bedrijf leverde ook bewakers voor panden en terreinen, maar de leden waren in burger gekleed. Het was een mooie tussenoplossing en André ging er opnieuw aan de slag als bewaker.

Hij werd gestationeerd te Etterbeek waar hij de voormalige rijkswachtkazerne, toen gebruikt door het Duitse leger, moest bewaken. Hij was er ook op 7 september 1943 aan ’t werk toen het complex in de ochtend zwaar getroffen werd door een bombardement van de Amerikaanse luchtmacht.

B17 – “vliegende fort”

Een formatie van niet minder dan 105 vliegtuigen van het type B17 (de zogenaamde “Vliegende Forten”) was die ochtend onderweg om het vliegveld van Evere (Haren) te bombarderen. Toen een aantal vliegtuigen in de formatie onder zich een langwerpige open ruimte in de stadsrand zag, openden ze de bommenluiken. Ze vergisten zich echter – wat ze zagen was niet het vliegveld van Evere maar het oefenterrein van de rijkswacht, net voor hun kazerne. Uit een damage assessment van de Amerikanen, kort nadien, bleek dat de kazerne tijdens dit bombardement geraakt was geweest door meer dan 70 voltreffers … en André had er midden in gezeten.

bombardement op Etterbeek

Als bij wonder bleef hij echter ook deze keer weer ongedeerd, dankzij het kleine bunkertje waarin hij kon schuilen. Met ontzetting zag André de gevolgen van het bombardement: overal lagen lijken, er hingen er zelfs uit de vensters. Bij de slachtoffers waren er overigens ook een aantal verzetslieden, die opgepakt waren voor verhoor en het leven lieten bij het bombardement. In totaal verloren bij deze vergissing 327 mensen het leven en vielen er 238 zwaar gewonden.

André was enorm onder de indruk van wat hij die dag allemaal meemaakte en besloot er mee te kappen, ook al zou hij daardoor problemen krijgen met de Duitsers. Hij ging terug naar Hekelgem, waar hij zich schuilhield voor de Duitsers die hem nu zochten. Hij kon echter uit hun handen blijven tot aan de bevrijding in september 1944. Hoewel hij dacht van alle miserie verlost te zijn, begon er een nieuw periode van ellende voor hem.

Na een periode van jaren onderdrukking door de Duitsers en de collaborateurs, wilden de plaatselijke verzetlieden (de “witten”) een paar rekeningen vereffenen en werden de achtergebleven collaborateurs opgepakt. Zo verschenen bij André ook een aantal van de verzetsmannen om hem op te pakken. André kende er een paar heel goed; hij had hen onder de oorlog geregeld kogels meegebracht voor de sluikslachtingen die ze samen regelden. François Similon bijvoorbeeld, was een verre buur. Toen uitgerekend die mannen alles overhoop haalden onder het mom van een zoektocht naar wapens, riep André hen toe dat ze toch wisten dat hij geen wapens had en enkel wat kogels voor hen had meegebracht. Het leverde hem een slag in het gezicht op van verzetsman Similon.

François Similon

Hoewel er geen wapens gevonden werden, werd André toch meegevoerd als collaborateur. Zijn eerste halte was het gemeentehuis van Hekelgem. Hij werd er samen met een paar andere lotsgenoten opgesloten in een kantoortje. Toen hij er zijn oude vriend Remi herkende, degene die hem in 1943 had meegenomen naar Asse en zich samen met André had laten inlijven bij de Fabriekswacht, vroeg André : “Awel jong, hebben ze u ook gepakt ?”. Tot zijn verbazing antwoorde zijn vroegere maat dat André zich vergiste. Hij behoorde tot de witten en was mee op ronde om zwarten op te pakken!

Kort nadien liep Similon nog eens binnen in het kantoortje op het gemeentehuis. Hij schold er een dorpsgenoot uit en riep hem toe dat zijn laatste uren geslagen waren. Het waren, achteraf bekeken, rare woorden … Similon ging nadien immers meteen naar café Het Zandtapijt, rechtover het gemeentehuis, waar hij samen met vrienden de bevrijding vierde tot iemand kwam zeggen dat er in het Hazenboske nog wat Duitsers zaten. Similon ging mee met een groep mannen die de Duitsers wilde gevangen nemen en werd dodelijk getroffen in het vuurgevecht dat volgde …

Van in Hekelgem werd André naar Aalst gevoerd, naar de Pupillen, waar hij zeer hard werd aangepakt. Hij zag er tot zijn ontzetting hoe een kennis uit Hekelgem een jongeman hardhandig met het gezicht door een ruit duwde en kreeg er zelf ook een paar rake klappen. Niemand minder dan een geestelijke die hem naar een cel moest voeren, sloeg met de kolf van een geweer zo lang op de tenen van André dat hij daardoor al zijn teennagels verloor.

Uiteindelijk kwam André terecht in Asse, waar hij in een school opgesloten werd. Omdat zijn moeder, die nog in Asse woonde, wist dat de leefomstandigheden erbarmelijk waren, probeerde ze een bewaker om te kopen. De man kreeg 50 frank toegestopt, in die tijd een meer dan behoorlijk bedrag, om een boterham aan André te geven. Eens hij het geld aangenomen had, presteerde de bewaker het echter om voor de ogen van de moeder de boterham rustig zelf op te peuzelen.  Toch was de bewaking er niet optimaal zodat André er samen met Frans de Woest, een andere ex-Fabriekswachter, kon ontsnappen. Dagenlang sliep hij iedere nacht ergens anders, telkens bij vrienden en kennissen.  Uiteindelijk keerde hij gewoon terug naar de Veldekenslos te Hekelgem. Maar daar was de solidariteit van onder de oorlog verdwenen. Een buurtbewoner siste gemeen naar Emmerence, de vrouw van André, dat hij haar man zou neerschieten als een hond, van zodra hij hem zou vinden.  Het duurde dan ook niet lang vooraleer men opnieuw op de deur klopte om André te arresteren. De eerste poging mislukte omdat hij meteen op de loop ging, dwars door de tuin en de omliggende velden. Bij een tweede poging was het wel prijs. André had zich net kunnen verstoppen in het bed tussen zijn vrouw en haar zus, toen de witten in huis binnenvielen. Ze hadden niet eens door dat André onder hun neus in het bed lag, toen ze de twee vrouwen begonnen te bedreigen. Daarop kroop André zelf onder het deken uit en gaf hij zich over.

Deze keer werd hij afgevoerd naar de gevangenis van Sint Gillis. Hij bracht er paar maanden door in een cel voor twee, waar ze met acht in opgesloten zaten. Het kwam dan ook geregeld tot vechtpartijen tussen de gedetineerden en dat om banale redenen. Bijvoorbeeld om eens aan de tralies te mogen liggen, gezien het broeierig warm was in de cel. Het verblijf in Sint Gillis was een traumatiserende periode. André zag er hoe een moegetergde gevangene plots iemand tussen de bewakers zag staan die hij herkende als de man die hem had opgepakt en daarna zijn huis had afgebrand. De gevangene stormde woest vooruit en voor iemand er erg in had, had hij de bewaker vastgegrepen en over de balustrade naar beneden gegooid. Later maakte hij mee hoe een knappe jonge vrouw uit Vilvoorde, die ook vastzat wegens collaboratie, in de gevangenis werd verkracht door niet minder dan 18 mannen. Ze overleefde het niet …

André bleef in deze omstandigheden opgesloten tot wanneer hij werd opgehaald voor zijn proces. Samen met een hele vrachtwagen lotgenoten werden ze naar de rechtbank gevoerd. Hij was één van de enigen die een advocaat hadden. André zelf had zijn raadsman nog nooit gezien maar die bleek ingehuurd door een tante van André, die er 20.000 frank voor had moeten betalen, in die tijd een astronomisch bedrag. Kennelijk moet de advocaat zijn werk goed gedaan hebben, want André kreeg de vraag of hij tevreden was met een straf, gelijk aan de tijd die hij al had doorgebracht in de gevangenis. André was daar bijzonder tevreden mee en hij mocht vrijgelaten worden, oordeelde de rechtbank. Hij verloor wel zijn burgerrechten, een straf die veel collaborateurs kregen en waarvan André zich weinig aantrok.

publicatie van de veroordeling van André in het staatsblad

Toch moest hij eerst mee met de rest, terug naar de gevangenis, om daar dan officieel in vrijheid gesteld te kunnen worden. Bij het verlaten van het gerechtsgebouw bespraken de mannen hun straffen. André riep hen blij toe dat hij zou vrijgelaten worden. Meteen daarop sloeg een boze bewaker hem met de kolf van zijn geweer in de hals. Een dag later was André weer thuis en was zijn oorlog eindelijk afgelopen.

Later bleek dat André zich de moeite had kunnen besparen om ten tijde van de bezetting en de oproepen om naar Duitsland te gaan werken, naar Hekelgem te verhuizen. Die oproep is er immers  nooit gekomen. Achteraf bleek waarom: de verantwoordelijke voor personeel in het bedrijf waar André werkte in Sint Genesius Rode, had zich vergist en een verkeerd adres doorgegeven. De Duitse administratie was er nooit in geslaagd om André te vinden, als hij zich maar gewoon thuis had schuilgehouden. Een wrede speling van het lot …

André kon na de oorlog als vakman snel terecht in de fabriek van Volkswagen te Vorst, waar hij tot zijn pensioen werkte. In de jaren ’70 vroeg en kreeg hij zijn burgerrechten terug.

VW Vorst – André draagt de salopet en houdt een sleutel vast

Hij bleef zijn hele verdere leven samen met zijn Emmerence in de Veldekenslos wonen. In 2006 overleed hij. Emmerence volgde hem in 2009. Ze liggen samen begraven op het kerkhof van Hekelgem.

Emmerence en André tijdens het buurtfeest ter gelegenheid van hun 50-ste huwelijksverjaardag

 

Bronnen:

Tim t’ Kint

Jan Van Liedekerke

interview met André Moyson in 2006

Martine Van De Perre

Alfons Van De Perre

Cynrik De Decker

wikipedia.org

belgiumwwii.be

geschiedenis van de Vlaamse collaboratie (facebookgroep)